Patiëntgegevens, WGBO en AVG

 

Joris Bijvoets, CIPP/E  (AVG Compleet B.V.)

AVG Compleet kennisbank, juli 2026

Patiëntgegevens, WGBO en AVG

Waarom het medisch dossier geen verkoopbaar bezit is

In publieke discussies over digitalisering in de zorg wordt het medisch dossier soms beschreven alsof het “van de patiënt” is: iets dat hij bezit, kan meenemen of in het uiterste geval kan verkopen. Onder de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en de AVG is dat een misverstand. De arts houdt het dossier, op grond van een wettelijke dossierplicht, binnen een vertrouwensrelatie met de patiënt. Wat de patiënt heeft, is een set rechten, geen eigendomstitel.

Wie houdt het dossier? De dossierplicht

Artikel 7:454 lid 1 BW legt op de hulpverlener een dossierplicht. De arts moet “een dossier inrichten met betrekking tot de behandeling van de patiënt” en daarin de gegevens vastleggen die voor goede hulpverlening noodzakelijk zijn. Die plicht is niet afhankelijk van toestemming van de patiënt; zij berust op een wettelijke verplichting in de behandelingsovereenkomst.

Voor het AVG-perspectief betekent dat: in de reguliere behandelrelatie berust het vastleggen en verwerken van de gegevens doorgaans op art. 6 lid 1 sub b (uitvoering van de behandelingsovereenkomst) en sub c (wettelijke verplichting, waaronder de dossierplicht) AVG, in combinatie met art. 9 lid 2 sub h AVG (verwerking voor medische diagnose, zorgverlening en het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten) en de nationale invulling in art. 30 UAVG. In specifieke, veelal publiekrechtelijke zorgcontexten kan daarnaast art. 6 lid 1 sub e (taak van algemeen belang) een rol spelen.

Verantwoordelijk voor het aanleggen en bewaren van het dossier is daarmee de hulpverlener, in de praktijk vaak binnen een zorginstelling. Niet de patiënt. Het dossier is een door de behandelaar gehouden medisch document, gebonden aan beroepsregels en bewaartermijnen, dat mede de continuïteit van zorg en de rechtenuitoefening van de patiënt dient; een eigendomsobject van de patiënt is het niet.

Wat de patiënt wél heeft: inzage, afschrift, aanvulling en vernietiging

WGBO geeft de patiënt een eigen set rechten. Artikel 7:456 BW regelt het recht op inzage en op een afschrift; artikel 7:455 BW het recht op vernietiging op verzoek. Daarnaast kan de patiënt op grond van art. 7:454 lid 2 BW een eigen verklaring aan het dossier laten toevoegen. Deze rechten lopen parallel aan de AVG-rechten op inzage (art. 15), rectificatie (art. 16) en gegevenswissing (art. 17), die ook in de zorgcontext gelden, zij het binnen de grenzen van onder meer art. 17 lid 3 AVG en de uit de WGBO voortvloeiende bewaarplichten.

Vernietiging is voor de eigendomsvraag het meest interessante recht. Een eigenaar mag zijn zaak in beginsel ook vernietigen; art. 5:1 BW omschrijft eigendom als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben, al kent ook die bevoegdheid wettelijke grenzen. Onder de WGBO is het vernietigingsrecht van de patiënt uitdrukkelijk begrensd. Artikel 7:455 lid 2 BW maakt expliciet dat lid 1 “niet geldt voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet”. Daaronder vallen ook situaties waarin andere wettelijke regimes aanvullende bewaarplichten of beperkingen stellen, zoals in de arbeids- en verzekeringsgeneeskundige praktijk (NVAB-OVAL, 2019).

Het Centraal Tuchtcollege heeft daarbij verder genuanceerd: ook gedeeltelijke vernietiging kan worden verzocht, zelfs van een woord, een zinsnede of een alinea uit het dossier. Het CTG accepteert dat zo’n selectieve vernietiging een dossier minder begrijpelijk kan maken, maar ziet daarin gelet op tekst en strekking van art. 7:455 BW geen grond om een verzoek per definitie af te wijzen (CTG 19 maart 2021, ECLI:NL:TGZCTG:2021:61, rov. 4.6; KNMG, 2024).

Voor de eigendomsvraag levert deze opzet een fundamenteel onderscheid. Een eigenaar vernietigt op eigen gezag; een patiënt vernietigt op verzoek, binnen wettelijke randvoorwaarden, en alleen voor zover andermans belang zich daar niet tegen verzet. Dat is zeggenschap, geen beschikkingsmacht.

AVG en WGBO: twee regimes naast elkaar

De AVG vormt als rechtstreeks werkende verordening het overkoepelende kader; de WGBO geeft, binnen de ruimte die de AVG daarvoor laat (met name via art. 9 lid 2 AVG en de nationale uitwerking in de UAVG), voor de behandelrelatie een sectorspecifieke invulling van dossiervoering, geheimhouding en patiëntrechten. In de praktijk worden beide regimes naast elkaar toegepast en vullen zij elkaar aan (P&I, 2023).

Dat heeft praktische gevolgen. Voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met patiëntgegevens biedt art. 24 UAVG in samenhang met art. 9 lid 2 sub j AVG een uitzondering op het verwerkingsverbod, maar de WGBO blijft tegelijkertijd eisen stellen aan beroepsgeheim en dossiervoering. Beide regimes moeten dus worden nageleefd.

Twee regimes vormen dus samen het patiëntenkader. De AVG bevat geen regeling die persoonsgegevens als eigendom kwalificeert; in de eerste bijdrage van deze reeks betoogde ik dat een klassiek eigendomsregime daar ook niet op aansluit (Bijvoets, 2026a). De WGBO voegt daar een wettelijke plicht tot dossierhouderschap door de hulpverlener aan toe, en vertaalt de zeggenschap van de patiënt in afdwingbare rechten, niet in een bezitsrecht.

Medisch beroepsgeheim als grondslag

Het medisch beroepsgeheim is in Nederland verankerd in art. 88 Wet BIG en in art. 7:457 BW. De arts mag medische gegevens niet aan derden verstrekken zonder toestemming van de patiënt, behoudens wettelijke uitzonderingen of een conflict van plichten. In civiele en strafzaken vertaalt zich dat in een verschoningsrecht (art. 218 Sv).

Het beroepsgeheim is asymmetrisch: de plicht ligt bij de arts, niet bij de patiënt. Een klassiek eigendomsregime kent een dergelijke, op de houder rustende geheimhoudingsplicht niet. Een eigenaar bezit, anderen niet; verder gaat het civielrechtelijke beeld niet. Maar het medisch dossier wordt door de behandelaar gehouden onder een geheimhoudingsplicht jegens de patiënt, in een vertrouwensrelatie die juist niet exclusief in de patiënt is belegd.

Waarom commercialisering juist bij gezondheidsdata problematisch is

In een eerder blog op deze kennisbank betoogde ik dat persoonsgegevens zich slecht lenen voor een handelswaar-benadering (Bijvoets, 2026c). Voor medische gegevens speelt dat probleem in versterkte vorm. Drie redenen, deels juridisch en deels beleidsmatig:

Vertrouwelijkheid is constitutief voor zorg. De openheid waarmee een patiënt zijn klachten, vrees of leefstijl met de arts bespreekt, berust op vertrouwen in het beroepsgeheim. Wanneer patiëntgegevens als verhandelbaar zouden gelden, komt die openheid onder druk te staan, met gevolgen voor de kwaliteit van de zorg.

Gestratificeerde gezondheidsrechten. Een consent-or-pay-model in de zorgcontext (denk aan hypothetische modellen waarin premiekorting wordt gekoppeld aan het delen van leefstijldata) riskeert een tweedeling waarbij burgers met meer financiële armslag hun medische gegevens beter kunnen beschermen. Vanuit het beginsel dat grondrechten aan eenieder gelijkelijk toekomen en dat toegang tot gezondheidszorg gewaarborgd moet blijven (vgl. art. 20 en 35 Handvest), is dat een onwenselijke uitkomst.

Asymmetrische machtspositie. De patiënt onderhandelt niet vanuit gelijkwaardigheid; hij heeft zorg nodig. Toestemming voor commerciële verwerking staat in een dergelijke context onder druk. De EDPB rekent situaties van duidelijke machtsongelijkheid tot de gevallen waarin toestemming veelal niet als vrijelijk gegeven kan gelden (EDPB, 2020, par. 16 e.v.); EDPB Opinion 08/2024 over consent-or-pay (EDPB, 2024; Bijvoets, 2026c) bevestigt die lijn in algemene zin. In de zorgrelatie zal toestemming daardoor vaak moeilijker als vrijelijk gegeven kunnen worden aangemerkt.

Wat is dan wél toegestaan?

Wetenschappelijk onderzoek met medische gegevens is binnen kaders mogelijk (art. 9 lid 2 sub j AVG en art. 24 UAVG); de WGBO en KNMG-richtlijnen stellen daarbij aanvullende eisen aan geheimhouding en dossiervoering, maar vormen geen zelfstandige verwerkingsgrondslag. Geanonimiseerde data valt buiten de AVG. En in de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde geldt de WGBO niet onverkort: via art. 7:464 BW kunnen bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, terwijl daarnaast specifieke publiekrechtelijke kaders gelden, bijvoorbeeld bij beoordelingen in de arbeids- en sociale-zekerheidscontext (NVAB, 2024). Bij verplichte spreekuurcontacten of arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen bestaat daardoor geen onbeperkt vernietigingsrecht voor de werknemer.

De grens is dus niet “data uit de zorg mag nooit worden hergebruikt”. De grens is dat het hergebruik gebonden blijft aan beroepsregels, doelbinding, beroepsgeheim en proportionaliteit. Dat is een wezenlijk andere infrastructuur dan een markt.

Conclusie

Het medisch dossier is geen eigendom van de patiënt. Het wordt door de hulpverlener gehouden, op grond van een wettelijke verplichting, binnen een vertrouwensrelatie die door het beroepsgeheim wordt beschermd. De patiënt beschikt over afdwingbare rechten op inzage, afschrift, aanvulling en vernietiging, telkens binnen wettelijke grenzen. Dat is zeggenschap, geen bezit. De lijn die door deze serie blogs loopt, vindt in de medische context haar scherpste uitwerking: persoonsgegevens zijn geen eigendom (Bijvoets, 2026a), dataportabiliteit is geen overdracht van bezit (Bijvoets, 2026b) en commodificatie stuit op fundamentele bezwaren (Bijvoets, 2026c). Voor patiëntgegevens komt daar een laag bij die ouder en breder is dan het AVG-regime: het medisch beroepsgeheim als vertrouwensfundament van de zorgverlening.

Juist hier is de afstand tot het eigendomsmodel het grootst. Zelfs de meest persoonlijke gegevens, die over lichaam, geest en geschiedenis, laten zich niet vanuit een bezitsregime regelen. Ze vragen om een ander begrip, ouder dan eigendom: vertrouwen.

Bronnen

    Lees ook: